Rekenraadsels uitgelegd
Antwoorden week 23 & 24
Negen rekenraadsels van Instagram, ontrafeld. Niet alleen het goede antwoord — vooral waarom zoveel mensen in de val trappen.
De afgelopen twee weken kwamen er weer een aantal rekenraadsels voorbij op Instagram. Sommige leken makkelijk, maar juist daar zat vaak de valkuil.
In deze blog vind je de antwoorden en uitleg bij de raadsels van week 23 en 24. Niet alleen het goede antwoord, maar vooral ook: waarom veel mensen de fout ingaan.
Zoek je na deze uitleg vooral nieuwe raadsels om zelf te gebruiken? Bekijk dan ook de gratis rekenraadsels per groep of download het gratis voorproefboekje.
Gratis kennismaken
Wil je zelf ook met dit soort raadsels aan de slag?
Download gratis het voorproefboekje met voorbeeldsommen uit de rekenbundels en 10 populaire Instagram-rekenraadsels. Handig voor thuis, in de klas of als leuke rekenstarter.
Meetkunde · oppervlakte
De Pizza
De vraag
Wat geeft meer pizza?
De val
Veel mensen denken: 2 pizza's van 30 cm is samen 60 cm, dus dat zal ongeveer hetzelfde zijn als 1 pizza van 60 cm. Maar bij pizza gaat het niet om lengte — het gaat om oppervlakte.
Het antwoord
1 pizza van 60 cm geeft méér — zelfs twee keer zoveel.
De uitleg
Een pizza is een cirkel. De oppervlakte bereken je met π × straal × straal. Bij een pizza van 30 cm is de straal 15 cm, bij 60 cm is de straal 30 cm.
π × 15 × 15 ≈ 707 cm²
2 × 707 = ± 1414 cm²
π × 30 × 30
= ± 2827 cm²
Verdubbel je de diameter, dan wordt de oppervlakte vier keer zo groot.
Didactische tip
Perfect om te laten zien dat het verdubbelen van de diameter níét betekent dat de oppervlakte alleen verdubbelt. Als de diameter verdubbelt, wordt de oppervlakte vier keer zo groot.
Breuken · achtereenvolgend
De Verdeling
De vraag
Je hebt €100. Je geeft 1/2 weg. Van wat overblijft geef je 1/3 weg. Van wat daarna overblijft geef je 1/4 weg. Hoeveel houd je over?
De val
Veel mensen tellen de breuken bij elkaar op: 1/2 + 1/3 + 1/4. Maar dat klopt hier niet — je geeft steeds een deel weg van wat er op dát moment nog over is.
Het antwoord
Je houdt €25 over.
De uitleg
Reken stap voor stap, en kijk steeds naar wat er overblijft:
1/2 weg → €50 over
1/3 van €50 weg (€16,67) → €33,33 over
1/4 van €33,33 weg (€8,33) → €25 over
Korter: na 1/2 weggeven houd je 1/2 over, na 1/3 houd je 2/3 over, na 1/4 houd je 3/4 over.
Didactische tip
Laat leerlingen niet alleen uitrekenen wat er weggaat, maar vooral wat er overblijft. Dat voorkomt de klassieke fout waarbij breuken zomaar bij elkaar worden opgeteld.
Logica · stelsel
De Boer
De vraag
Een boer telt 20 koppen en 56 poten. Hij heeft kippen en konijnen. Hoeveel konijnen heeft hij?
De val
Veel mensen proberen meteen te gokken: een aantal kippen en konijnen invullen en hopen dat het klopt. Dat kan werken, maar zonder structuur raak je snel het overzicht kwijt.
Het antwoord
De boer heeft 8 konijnen.
De uitleg
Er zijn samen 20 dieren. Kippen hebben 2 poten, konijnen 4. Stel dat alle 20 dieren kippen zijn — dan zijn er 20 × 2 = 40 poten. Maar er zijn er 56: dat zijn 16 poten te veel. Elke kip die je vervangt door een konijn levert 2 poten extra op.
16 ÷ 2 = 8 konijnen
Controle: 8 konijnen × 4 = 32 poten, 12 kippen × 2 = 24 poten. Samen 56 poten en 20 dieren. ✓
Didactische tip
Heel geschikt voor leerlingen die moeite hebben met vergelijkingen. Begin met "stel dat alles kippen zijn" en werk daarna met het verschil.
Context · denkfout
De Eieren
De vraag
Het duurt 5 minuten om 5 eieren te koken. Hoe lang duurt het om 100 eieren te koken?
De val
Veel mensen denken: 5 eieren = 5 minuten, 100 eieren is 20 keer zoveel, dus 100 minuten. Maar dat klopt alleen als je de eieren één voor één kookt.
Het antwoord
5 minuten.
De uitleg
Eieren koken tegelijk. Als je genoeg ruimte hebt in de pan, maakt het voor de kooktijd niet uit of je 5 of 100 eieren kookt — ze liggen allemaal tegelijk in hetzelfde kokende water. De tijd hangt dus niet af van het aantal eieren, maar van het kookproces.
Didactische tip
Dit raadsel gaat niet alleen over rekenen, maar vooral over context. Leerlingen leren dat "meer" niet altijd "langer" betekent.
Onbekende · opstap algebra
De Vis
De vraag
Een vis weegt 10 kg plus de helft van zijn eigen gewicht. Hoe zwaar is de vis?
De val
Veel mensen zeggen 15 kg: 10 kg plus de helft van 10 kg. Maar dat is niet wat er staat. Er staat: de helft van zijn eigen gewicht — en dat eigen gewicht zoeken we juist nog.
Het antwoord
De vis weegt 20 kg.
De uitleg
Het hele gewicht = 10 kg + de helft van het gewicht. Haal je van het hele gewicht de helft af, dan blijft er 10 kg over. Die 10 kg ís dus precies de andere helft.
2 × 10 kg = 20 kg
Controle: de helft van 20 kg is 10 kg → 10 + 10 = 20 kg. ✓
Didactische tip
Een mooie opstap naar vergelijkingen. Je hoeft nog geen algebra te gebruiken, maar leerlingen leren wél denken met een onbekende.
Meer oefenen?
Gebruik deze raadsels ook thuis of in de klas
Download gratis het voorproefboekje of bekijk Het Grote Rekenraadselboek met 157 rekenraadsels, antwoorden en didactische tips.
Onbekende · andere breuk
De Olifant
De vraag
Een olifant weegt 200 kg plus driekwart van zijn eigen gewicht. Hoe zwaar is de olifant?
De val
Veel mensen rekenen 200 + 3/4 van 200 = 350 kg. Maar die driekwart gaat niet over 200 kg — die gaat over het totale gewicht van de olifant.
Het antwoord
De olifant weegt 800 kg.
De uitleg
De olifant bestaat uit 200 kg + 3/4 van zichzelf. Die 200 kg is dus precies het stukje dat overblijft naast die 3/4 — oftewel 1/4 van de olifant.
4 × 200 kg = 800 kg
Controle: 3/4 van 800 = 600 kg → 200 + 600 = 800 kg. ✓
Didactische tip
Lijkt sterk op het visraadsel, maar met een andere breuk. Leg ze naast elkaar — Vis: 10 kg + 1/2 van zichzelf, Olifant: 200 kg + 3/4 van zichzelf — zodat leerlingen zien dat het draait om welk deel van het geheel nog ontbreekt.
Verhoudingen · balansdenken
De Kudde
De vraag
3 koeien + 2 schapen wegen evenveel als 1 koe + 8 schapen. Hoeveel schapen weegt 1 koe?
De val
Veel mensen proberen direct getallen in te vullen voor het gewicht van een koe of schaap. Maar dat hoeft helemaal niet — je hoeft alleen de verhouding tussen koeien en schapen te vinden.
Het antwoord
1 koe weegt evenveel als 3 schapen.
De uitleg
Behandel het als een weegschaal: wat je links weghaalt, haal je rechts ook weg.
− 1 koe links & rechts → 2 koeien + 2 schapen = 8 schapen
− 2 schapen links & rechts → 2 koeien = 6 schapen
1 koe = 3 schapen
Didactische tip
Een prachtig raadsel om balansdenken uit te leggen. Wat je links weghaalt, moet je rechts ook weghalen. Laat leerlingen dit letterlijk tekenen als een weegschaal.
Tijdrekenen · begrijpend lezen
De Verlenging
De vraag
Een WK-wedstrijd begint om 21:00 uur Nederlandse tijd. Na 90 minuten staat het gelijk; er komt 30 minuten verlenging bij. In Mexico-Stad is het 7 uur vroeger. Hoe laat is het daar als de verlenging klaar is?
De val
Veel mensen trekken meteen 7 uur af van 21:00 uur en vergeten daarna de speeltijd erbij te tellen. Anderen tellen alleen 90 minuten óf alleen 30 minuten.
Het antwoord
16:00 uur in Mexico-Stad.
De uitleg
Nederlandse tijd: 21:00 + 2 uur = 23:00
Mexico-Stad (−7 uur): 23:00 − 7 = 16:00 uur
Belangrijke nuance: dit geldt op basis van wat in het raadsel staat (90 + 30 minuten). In een echte wedstrijd heb je ook rust, blessuretijd en soms een pauze vóór de verlenging — reken je die mee, dan kom je later uit. Maar die tijden staan niet in het raadsel.
Didactische tip
Ideaal voor tijdrekenen én begrijpend lezen. Laat leerlingen eerst opschrijven welke tijden wél gegeven zijn en welke niet.
Inhoud · meetkundig kijken
De Fles
De vraag
Welk percentage van de fles is gevuld met water? Je ziet dezelfde fles met hetzelfde water — alleen is de fles omgedraaid.
De val
Veel mensen kijken alleen naar de waterhoogte in de staande fles. Maar de vorm van de fles verandert hoe je naar de lege ruimte moet kijken. De truc: kijk naar het water én naar de lucht.
Het antwoord
De fles is voor 70% gevuld.
De uitleg
Water (14) + lege ruimte (6) = totale inhoud (20 eenheden).
In de staande fles is de waterhoogte 14 eenheden. Draai je de fles om, dan zie je de lege ruimte boven het water: 24 − 18 = 6 eenheden. De totale inhoud is dus water + lucht.
14 ÷ 20 = 0,70 = 70%
Didactische tip
Sterk omdat leerlingen leren dat je bij meetkunde niet alleen naar hoogte kijkt, maar naar inhoud. De hoeveelheid water blijft gelijk; de zichtbare hoogte verandert door de vorm van de fles.
De uitslag
Hoeveel had jij goed?
0 – 2
Geen zorgen — dit waren lastige raadsels.
3 – 5
Knap gedaan, je had de meeste valkuilen door.
6 – 8
Heel sterk gerekend.
9
Perfecte score. Petje af!
Verder puzzelen?
Vond je deze raadsels leuk? Dan is dit je volgende stap.
De 9 raadsels hierboven zijn een voorproefje. In Het Grote Rekenraadselboek vind je 157 rekenraadsels met antwoorden, uitleg en didactische tips — ideaal voor thuis, in de klas, als klaaropdracht of als rekenstarter.
157 raadsels · 7 thema's · 3 niveaus · inclusief antwoorden en didactische tips · direct te downloaden als pdf
raadsels
Begin te rekenen
Meer van MeesterIY
Het complete reken-avontuur voor in de klas — of blader door alle rekenboekjes in de shop.