Rekenraadsels uitgelegd

Rekenraadsels met antwoorden en uitleg

Zoek je het antwoord op een rekenraadsel van Meester IY? Op deze pagina vind je antwoorden, uitleg en tips bij de rekenraadsels van Instagram. Zoek op trefwoord, filter op thema of bekijk de nieuwste uitwerkingen per week.

Gratis voor in de klas

Gebruik je deze raadsels in de klas?

Ontvang 10 populaire rekenraadsels + antwoorden gratis als PDF, samen met voorbeeldsommen uit mijn rekenbundels.

Gratis · direct in je inbox · uitschrijven kan altijd

Bijna gelukt! Check je inbox.

Ik heb je een bevestigingsmail gestuurd. Bevestig daarin je e-mailadres en daarna ontvang je het gratis voorproefboekje. Geen mail? Kijk dan ook even in je spam- of reclamemap.

Bekijk Het Grote Rekenraadselboek →

Hoe gebruik je deze pagina?

Elke week plaats ik nieuwe rekenraadsels op Instagram. Sommige lijken simpel, maar bevatten een slimme valkuil. Op deze pagina vind je per raadsel het antwoord, de uitleg en vaak een korte didactische tip.

Gebruik de zoekfunctie als je een specifiek raadsel zoekt, of filter op categorie zoals dieren & weegschalen, patronen, tijd, geld of logica.

1

Zoek op trefwoord

Typ een dier, getal of woord uit het raadsel in de zoekbalk en spring direct naar het antwoord.

2

Filter op soort raadsel

Kies een thema — dieren & weegschalen, patronen, tijd, geld of logica — om gericht te zoeken.

3

Bekijk antwoorden per week

Liever alles op een rij? Bekijk de nieuwste uitwerkingen gebundeld per editie.

Zo werkt de uitleg

Zo ziet een uitwerking eruit

De vraag

Een parkeerplek kost €2 per begonnen halfuur. Je parkeert van 14:07 tot 15:09. Hoeveel betaal je?

De valkuil

Veel mensen rekenen "ruim een uur, dus €4". Maar je betaalt per begonnen halfuur, dus ook een paar minuten extra tellen als een heel halfuur.

De uitleg

Van 14:07 tot 15:09 is 1 uur en 2 minuten. Omdat je per begonnen halfuur betaalt, betaal je voor drie begonnen halve uren:

14:07 – 14:37  →  1e halfuur
14:37 – 15:07  →  2e halfuur
15:07 – 15:37  →  3e halfuur (net begonnen)
3 × €2 = €6

Het antwoord

Je betaalt €6.

Didactische tip

Laat leerlingen eerst de tijdsblokken tekenen voordat ze gaan rekenen.

70 raadsels
1
Dieren & weegschalen

De boerderijdieren

Gegeven: 1 kalkoen = 5 eenden · 1 gans + 2 kippen = 3 eenden · 4 kippen = 1 gans. Hoeveel kippen wegen samen even zwaar als 1 kalkoen + 1 eend + 1 gans?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord16 kippen

Druk alles uit in kippen. Uit regel 3: 1 gans = 4 kippen.

Regel 2: 4 kippen + 2 kippen = 3 eenden, dus 6 kippen = 3 eenden en 1 eend = 2 kippen.

Regel 1: 1 kalkoen = 5 eenden = 10 kippen.

Optellen: 10 (kalkoen) + 2 (eend) + 4 (gans) = 16 kippen.

2
Leeftijd, tijd & snelheid

Mo en Eva

Mo is 50 jaar en Eva is 32 jaar. Ooit was Mo drie keer zo oud als Eva. Hoe oud was Mo toen?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord27 jaar

Stel: x jaar geleden. Dan 50 − x = 3 × (32 − x).

50 − x = 96 − 3x → 2x = 46 → x = 23.

Mo: 50 − 23 = 27 en Eva: 32 − 23 = 9. En 27 = 3 × 9.

Tip voor de klasLaat leerlingen ook andere verhoudingen proberen, zoals '2 keer zo oud'. Zo trainen ze logisch redeneren én algebra.
3
Leeftijd, tijd & snelheid

De opdrachten van Sam

Tussen opdracht 1→2 en 2→3 zit samen 40 minuten overgang. Hoe lang duren de overgangen als Sam 5 opdrachten maakt?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord80 minuten (niet 66⅔)

2 overgangen duren samen 40 minuten, dus 1 overgang = 20 minuten.

Bij 5 opdrachten zijn er 4 overgangen (1→2→3→4→5).

4 × 20 = 80 minuten.

Tip voor de klasMooi om denkfouten bij verhoudingen te bespreken: leerlingen rekenen vaak 40 : 3 × 5, maar het gaat om overgangen, niet om opdrachten.
4
Leeftijd, tijd & snelheid

Tijd per opdracht

Sam doet 3 opdrachten in 40 minuten. Hoe lang doet hij over 5 opdrachten (zonder overgangen)?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord66⅔ minuut (66 min 40 sec)

Per opdracht: 40 ÷ 3 = 13⅓ minuut (13 min 20 sec).

Voor 5 opdrachten: 13⅓ × 5 = 66⅔ minuut.

Tip voor de klasLaat leerlingen afronden op hele minuten, of oefen met breuken en kommagetallen in tijdsberekeningen.
5
Dieren & weegschalen

De kip en de kat

Samen wegen de kip en de kat 9 kg. De kat weegt 4 kg meer dan de kip. Hoe zwaar is de kip?

Bekijk antwoord & uitleg
AntwoordDe kip weegt 2,5 kg

Stel kip = x, kat = x + 4.

x + (x + 4) = 9 → 2x + 4 = 9 → 2x = 5 → x = 2,5.

Tip voor de klasLaat leerlingen het ook met een tekening oplossen, of met 'raden en checken' als strategie.
6
Dieren & weegschalen

Honden en kippen

Op het erf lopen 12 dieren (honden en kippen) met samen 40 poten. Hoeveel honden zijn er?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord8 honden

Stel honden = x, dan kippen = 12 − x.

4x + 2(12 − x) = 40 → 2x + 24 = 40 → 2x = 16 → x = 8.

Tip voor de klasLaat leerlingen het visueel tekenen (per hond 4 streepjes, per kip 2) of raden en checken met een tabel.
7
Dieren & weegschalen

Het fruit-weegschaalraadsel

Appel + peer = 7 · peer + banaan = 5 · appel + banaan = 6. Hoeveel weegt elk fruit?

Bekijk antwoord & uitleg
AntwoordAppel = 4 kg, peer = 3 kg, banaan = 2 kg

Trek de derde van de eerste af: peer − banaan = 1, dus peer = banaan + 1.

Vul in bij de tweede: (banaan + 1) + banaan = 5 → 2·banaan = 4 → banaan = 2.

Dan peer = 3 en appel = 6 − 2 = 4.

Tip voor de klasLaat leerlingen dit met kleurige fruit-icoontjes of bakjes met fiches uitwerken.
8
Logica & geld

De twee schildpadden

Twee rotsen, met de gegevens uit de figuur. Bereken de onbekende afstand x.

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord20 cm

Uit de figuur volgt: x + 500 = 540 − x.

2x = 40 → x = 20 cm.

Tip voor de klasAls iets zowel boven als onder een object ligt, helpt het de gegeven afstanden in één vergelijking te zetten.
9
Leeftijd, tijd & snelheid

Femke en Bart fietsen

Femke fietst 12 km/u, Bart 8 km/u. Ze vertrekken tegelijk. Hoe ver is Bart na 2 uur?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord16 kilometer

Bart: 2 × 8 = 16 km.

Femke: 2 × 12 = 24 km. Het verschil is 8 km — dat klopt.

Tip voor de klasGebruik het verschil in snelheid om te checken of je antwoord logisch is.
10
Dieren & weegschalen

De zebra en de olifant

Samen wegen ze 900 kg. De olifant weegt 5 keer zoveel als de zebra. Hoe zwaar zijn ze?

Bekijk antwoord & uitleg
AntwoordZebra 150 kg, olifant 750 kg

x + 5x = 900 → 6x = 900 → x = 150.

Zebra = 150 kg, olifant = 5 × 150 = 750 kg.

11
Dieren & weegschalen

Aap, olifant en gorilla

Aap + olifant = 220 · gorilla + aap = 160 · olifant + gorilla = 300. Hoeveel weegt elk dier?

Bekijk antwoord & uitleg
AntwoordAap 40 kg, olifant 180 kg, gorilla 120 kg

Aap = 220 − olifant. Vul in bij de tweede: gorilla = olifant − 60.

Vul in bij de derde: olifant + (olifant − 60) = 300 → 2·olifant = 360 → olifant = 180.

Aap = 40 en gorilla = 120.

Tip voor de klasLaat leerlingen dit oplossen met drie kleuren of blokjes en zelf namen geven aan de dieren.
12
Dieren & weegschalen

De geit en de hond

Samen wegen ze 24 kg. De hond weegt 4 keer zoveel als de geit. Hoe zwaar zijn ze?

Bekijk antwoord & uitleg
AntwoordGeit 4,8 kg, hond 19,2 kg

x + 4x = 24 → 5x = 24 → x = 4,8.

Geit = 4,8 kg, hond = 4 × 4,8 = 19,2 kg.

Tip voor de klasLaat leerlingen variaties bedenken: 'Wat als de hond 3× zo zwaar is?' of 'Wat als het totaal 30 kg was?'
13
Logica & geld

100 katten, 100 muizen

1 kat vangt 1 muis in 3 minuten. Hoe lang doen 100 katten over 100 muizen?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord3 minuten

Alle katten vangen tegelijk. 100 katten vangen samen 100 muizen — nog steeds in 3 minuten.

Een klassiek voorbeeld van constante verhouding met parallel werk.

Tip voor de klasLaat leerlingen dit met een tijdlijn of blokjes tekenen: meer katten versnellen het, ze vertragen niet.
14
Leeftijd, tijd & snelheid

Bill en zijn zoon

Samen zijn ze nu 52 jaar. Acht jaar geleden was Bill 8× zo oud als zijn zoon. Hoe oud zijn ze nu?

Bekijk antwoord & uitleg
AntwoordBill 40 jaar, zoon 12 jaar

8 jaar geleden samen: 52 − 8 − 8 = 36 jaar.

x + 8x = 36 → 9x = 36 → x = 4. Toen: zoon 4, Bill 32.

Nu: zoon 12, Bill 40.

Tip voor de klasLaat leerlingen dit oplossen met een tijdlijn of leeftijdentabel, of zelf een leeftijdsraadsel ontwerpen.
16
Logica & geld

De thee en het koekje

Een thee en een koekje kosten samen € 1,10. Het koekje is € 1 duurder dan de thee. Wat kost de thee?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord€ 0,05

Stel thee = x, koekje = x + 1.

x + (x + 1) = 1,10 → 2x = 0,10 → x = 0,05.

Thee € 0,05, koekje € 1,05.

Tip voor de klasPerfect om het verschil tussen intuïtie en logisch redeneren te bespreken: veel mensen zeggen € 0,10.
17
Patronen & reeksen

De getallendriehoek

5·3·4 → 19 en 6·4·5 → 29. Welk getal hoort bij 7·5·6?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord41

De regel is: Links × Rechts + Onder = Midden.

7 × 5 + 6 = 41.

Tip voor de klasLaat leerlingen zelf het rekenpatroon ontdekken; in tweetallen werken stimuleert redeneren.
18
Patronen & reeksen

Het verdubbelende verschil

4, 7, 13, 25, 49, ? — welk getal komt erna?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord97

De verschillen verdubbelen: +3, +6, +12, +24, +48.

49 + 48 = 97.

Tip voor de klasLaat leerlingen eerst de verschillen berekenen. Extra: wat komt na 97? (97 + 96 = 193).
19
Patronen & reeksen

Verdubbelende snoepjes

Dag 1 heb je 1 snoepje en elke dag verdubbelt het. Hoeveel op dag 5?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord16 snoepjes

1 → 2 → 4 → 8 → 16.

Dag 5 = 16.

Tip voor de klasGebruik dit om exponentiële groei te introduceren: 2, 4, 8, 16, 32, 64 …
20
Logica & geld

De stenen muur

20 stenen van 10 cm, met 2 cm cement na elke 5 stenen. Hoe hoog wordt de muur?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord206 cm

20 × 10 = 200 cm aan stenen.

20 stenen = 4 blokken van 5, dus 3 voegen: 3 × 2 = 6 cm.

Totaal 206 cm.

Tip voor de klasLaat leerlingen de muur tekenen en vragen: 'Wanneer komt de eerste voeg?'
21
Logica & geld

De drogende aardappels

100 kg aardappels bestaat voor 99% uit water. Na drogen is dat 98%. Hoeveel wegen ze dan?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord50 kg

Droge stof = 1 kg en blijft gelijk.

Daarna is 1 kg = 2% van het totaal → totaal = 1 ÷ 0,02 = 50 kg.

Tip voor de klasMooi om te laten zien hoe percentages kunnen misleiden. Laat leerlingen 97% en 95% voorspellen.
22
Logica & geld

De vrije worpen

In 4 minuten schiet hij elke 2 seconden. Hij mist 3 keer. Hoeveel rake schoten?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord117 keer

4 minuten = 240 seconden. 240 ÷ 2 = 120 schoten.

120 − 3 = 117 raak.

Tip voor de klasLaat leerlingen eerst het aantal seconden berekenen voor inzicht in 'hoe vaak per tijdseenheid'.
23
Logica & geld

De muffins

Achteruit redeneren: aan het eind blijven er 5 muffins over. Met hoeveel begon hij?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord15 muffins

5 over → daarvoor 5 + 2 = 7.

7 was de helft → 7 × 2 = 14.

Eerst at hij er 1 op → 14 + 1 = 15.

Tip voor de klasLaat leerlingen de stappen op het bord terugrekenen met een tekening bij elke stap.
24
Logica & geld

De slak in de put

Een slak klimt overdag 5 m omhoog en zakt 's nachts 4 m terug. De put is 20 m diep. Op welke dag is hij boven?

Bekijk antwoord & uitleg
AntwoordOp dag 16

Per dag netto +1 m, dus na 15 dagen op 15 m.

Op dag 16 klimt hij van 15 naar 20 m en is boven vóór hij terugzakt.

Tip voor de klasLaat leerlingen dit met vakjes tekenen; de laatste dag telt de terugval niet meer mee.
25
Logica & geld

De pizza van de Turtles

Donatello = Michelangelo − 3, Leonardo = Donatello + 2, Raphael = Leonardo. Samen 34 stukken. Hoeveel at Michelangelo?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord9,75 stukken

x + (x−3) + (x−1) + (x−1) = 34 → 4x − 5 = 34 → 4x = 39 → x = 9,75.

Tip voor de klasLaat leerlingen verhoudingen en verschillen in letters opstellen — of zelf een deelpuzzel maken.
26
Logica & geld

De boom en de vogel

Boom + vogelhoogte = 400 en boom − vogelhoogte = 290. Hoe hoog zit de vogel?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord55 cm

Optellen: 2 × boom = 690 → boom = 345.

345 + vogel = 400 → vogel = 55 cm.

Tip voor de klasTekenen helpt. Gebruik symmetrie of vergelijkingen als iets zowel boven als onder een object ligt.
27
Logica & geld

De omweg van Layla

Normaal loopt Layla 6 km heen en 6 km terug. Door een omweg loopt ze 24 km per dag. Hoeveel extra per schoolweek?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord60 km extra (of 90 km t.o.v. enkele reis)

Normaal 12 km/dag, nu 24 km/dag → 12 km extra per dag.

5 dagen × 12 = 60 km extra.

Tip voor de klasSommige leerlingen nemen de enkele reis (6 km) als referentie; dan komt 90 km eruit. Bespreek welke vergelijking past.
28
Dieren & weegschalen

De das en de vos

Samen 14 kg. De vos weegt 6 kg meer dan de das. Hoe zwaar is de das?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord4 kg

x + (x + 6) = 14 → 2x = 8 → x = 4.

Das 4 kg, vos 10 kg.

Tip voor de klasGeef eerst één dier de variabele x en schrijf de ander als relatie tot x.
29
Getallen & combinaties

Drie getallen maken 27

Kies drie getallen die samen 27 zijn.

Bekijk antwoord & uitleg
AntwoordBijvoorbeeld 3 + 10 + 14 of 5 + 10 + 12

Begin met het hoogste getal (14) en zoek getallen die samen 13 vormen.

Herhaal met 12, 10, enzovoort.

Tip voor de klasLaat leerlingen in tweetallen werken: de een noemt combinaties, de ander rekent mee.
30
Getallen & combinaties

A + (B × C) = 26

Kies 3 getallen uit 2, 4, 5, 6, 8, 10 zodat A + (B × C) = 26 (eerst keer, dan plus).

Bekijk antwoord & uitleg
AntwoordBijvoorbeeld 6 + (4 × 5) = 26 of 10 + (2 × 8) = 26

Zoek een product dicht bij 26 en vul aan met het restgetal.

4 × 5 = 20, dan + 6 = 26. Of 2 × 8 = 16, dan + 10 = 26.

Tip voor de klasVeel leerlingen vergeten de rekenvolgorde en doen (A + B) × C.
31
Tellen & figuren

Hoeveel vierkanten? (3×3)

Hoeveel vierkanten zitten er in een 3×3 raster?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord14 vierkanten

9 kleine (1×1) + 4 (2×2) + 1 (3×3) = 14.

Tip voor de klasLaat leerlingen eerst zelf tellen, dan in tweetallen hun strategie vergelijken.
32
Tellen & figuren

Hoeveel vierkanten? (4×4)

Hoeveel vierkanten zitten er in een 4×4 raster?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord30 vierkanten

16 (1×1) + 9 (2×2) + 4 (3×3) + 1 (4×4) = 30.

Tip voor de klasLaat leerlingen de vierkanten inkleuren. Verdieping: hoeveel rechthoeken zitten erin?
33
Leeftijd, tijd & snelheid

De camera in de zaal

Elke rij heeft 10 stoelen; het stel zit op stoel 68. De camera doet 12 seconden per stoel. Na hoeveel tijd zijn ze in beeld?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord816 seconden (13 min 36 sec)

Stoel 68 → 68 × 12 = 816 seconden.

Tip voor de klasLaat leerlingen eerst een tabel tekenen om te zien waar stoel 68 zit.
34
Dieren & weegschalen

Weegschaal: konijn, eend, hond

Konijn + 2 eenden = 10 · konijn + hond = 20 · eend + 2 honden = 24. Hoeveel wegen konijn + hond samen?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord20 kg

Konijn = 10 − 2·eend. Hond = 10 + 2·eend.

Eend + 2·(10 + 2·eend) = 24 → 5·eend = 4 → eend = 0,8.

Konijn = 8,4 en hond = 11,6; samen 20 kg.

Tip voor de klasGebruik dit voor oplossen met substitutie: logisch redeneren én rekenen met variabelen.
35
Dieren & weegschalen

De gans en de reiger

Samen 9 kg. De reiger weegt 4 kg meer dan de gans. Hoe zwaar is de gans?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord2,5 kg

x + (x + 4) = 9 → 2x = 5 → x = 2,5.

Gans 2,5 kg, reiger 6,5 kg.

Tip voor de klasLaat leerlingen het visueel tekenen of met blokjes representeren.
36
Dieren & weegschalen

Olifant, flamingo en zebra

Olifant + flamingo = 520 · zebra + flamingo = 300 · olifant + zebra = 700. Hoeveel weegt elk dier?

Bekijk antwoord & uitleg
AntwoordOlifant 460 kg, flamingo 60 kg, zebra 240 kg

Tel de eerste twee op: olifant + zebra + 2·flamingo = 820.

Olifant + zebra = 700, dus 2·flamingo = 120 → flamingo = 60.

Olifant = 460 en zebra = 240.

Tip voor de klasLaat leerlingen de drie vergelijkingen onder elkaar zetten en combineren — zonder formele algebra.
37
Logica & geld

De steen en de papegaai

Steen + papegaai = 160 cm en steen − papegaai = 100 cm. Hoe hoog is de papegaai?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord30 cm

Optellen: 2 × steen = 260 → steen = 130.

130 + papegaai = 160 → papegaai = 30 cm.

Tip voor de klasLaat leerlingen controleren of de waarden in beide situaties kloppen.
38
Dieren & weegschalen

Goudvis, wasbeer en pinguïn

Vis + wasbeer = 8 · pinguïn + wasbeer = 16 · pinguïn + vis = 10. Hoeveel weegt elk dier?

Bekijk antwoord & uitleg
AntwoordGoudvis 1 kg, wasbeer 7 kg, pinguïn 9 kg

Trek de eerste van de tweede af: pinguïn − vis = 8.

Met de derde: (vis + 8) + vis = 10 → vis = 1.

Pinguïn = 9 en wasbeer = 7.

Tip voor de klasLaat leerlingen elke combinatie systematisch uitschrijven en controleren.
39
Getallen & combinaties

Fruit-symboolpuzzel

appel × appel × appel = 8 · appel × aardbei × aardbei = 18 · appel × bosbes × bosbes = 18. Wat is aardbei + appel × bosbes?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord9

appel × appel × appel = 8 → appel = 2.

2 × aardbei² = 18 → aardbei = 3. Net zo: bosbes = 3.

aardbei + appel × bosbes = 3 + (2 × 3) = 9.

Tip voor de klasLet op de rekenvolgorde: eerst vermenigvuldigen, dan optellen.
40
Logica & geld

De pottenpuzzel

Een volle pot weegt 120 g. Een halfvolle pot + een lege pot wegen samen 150 g. Hoeveel weegt een lege pot?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord60 g

Lege pot P, inhoud V: P + V = 120.

(P + ½V) + P = 150 → 2P + ½V = 150.

Invullen V = 120 − P: 1,5P = 90 → P = 60 g.

Tip voor de klasSchrijf altijd formules op in plaats van te gokken — zo hou je overzicht.
41
Dieren & weegschalen

De vos en de uil

Samen 14 kg. De vos weegt 6 kg meer dan de uil. Hoe zwaar is de uil?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord4 kg

U + (U + 6) = 14 → 2U = 8 → U = 4.

Uil 4 kg, vos 10 kg.

Tip voor de klasBij dit soort raadsels kun je vaak een stelsel van vergelijkingen opstellen.
42
Tellen & figuren

Driehoeken tellen

Een grote driehoek is opgedeeld in kleinere. Hoeveel driehoeken tel je in totaal?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord27 driehoeken

16 kleine + 7 middelgrote + 3 grotere + 1 hele = 27.

Tip voor de klasTel systematisch: van de kleinste naar de grootste figuren.
43
Patronen & reeksen

De bizarre bonus

Dag 1 krijg je € 1 en elke dag verdubbelt het bedrag. Hoeveel in totaal na 5 dagen?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord€ 31

1 + 2 + 4 + 8 + 16 = 31.

Tip voor de klasEen meetkundige rij: de bedragen groeien met factor 2.
44
Logica & geld

Het ropeskipping-raadsel

12 medailles: 2 goud (5 pt), 3 zilver (3 pt), 7 brons (1 pt). Hoeveel punten in totaal?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord26 punten

Goud 2 × 5 = 10, zilver 3 × 3 = 9, brons 7 × 1 = 7.

Totaal 26.

Tip voor de klasBereken eerst de waarde per categorie en tel daarna pas op.
45
Logica & geld

Maak de bom onschadelijk

Kies de draad met een even uitkomst. Oranje: 8 × 2 − 3 · Blauw: 9 ÷ 3 + 9 · Groen: 5² − 6.

Bekijk antwoord & uitleg
AntwoordBlauw — uitkomst 12 (even)

Oranje: 16 − 3 = 13 (oneven).

Blauw: 3 + 9 = 12 (even).

Groen: 25 − 6 = 19 (oneven).

Tip voor de klasOnthoud de rekenvolgorde: haakjes → machten → keer/delen → plus/min.
46
Tellen & figuren

Hoe vaak schrijf je een 9?

Een boek heeft pagina's 1 t/m 100. Hoe vaak schrijf je het cijfer 9?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord20 keer

Eenheden (…9): 9, 19, … 99 → 10 keer.

Tientallen (90–99): 10 keer.

Samen 20 keer.

Tip voor de klasTel per positie (eenheden → tientallen) zodat je er geen vergeet of dubbel telt.
47
Tellen & figuren

Hoeveel vierkanten? (met middenfiguren)

Een 4×4 raster met extra vierkanten in het midden. Hoeveel vierkanten in totaal?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord40 vierkanten

Raster: 16 + 9 + 4 + 1 = 30.

Extra middenfiguren: 10.

Totaal 40.

Tip voor de klasTel systematisch van klein naar groot en vergeet de overlappende figuren niet.
48
Patronen & reeksen

Het sommenpatroon

1 + 4 = 5 · 2 + 5 = 12 · 3 + 6 = 21 · 8 + 11 = ?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord40

Elke uitkomst = vorige uitkomst + de nieuwe som.

5 → 5+7=12 → 12+9=21 → 21+19=40.

Tip voor de klasBij dit soort raadsels passen vaak meerdere patronen; controleer of het patroon bij álle stappen klopt.
49
Dieren & weegschalen

De aap en de koe

Samen 430 kg. De koe weegt 250 kg meer dan de aap. Hoe zwaar is de aap?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord90 kg

A + (A + 250) = 430 → 2A = 180 → A = 90.

Aap 90 kg, koe 340 kg.

Tip voor de klasMaak de onbekende A, stel de vergelijking op en los stap voor stap op.
50
Logica & geld

Drie touwen, precies 45 minuten

Je hebt touwen die elk in 60 min opbranden, maar ongelijkmatig. Hoe meet je precies 45 minuten?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord45 minuten kan met 2 touwen

Steek touw A aan beide kanten aan en touw B aan één kant.

Na 30 min is A op; steek dan ook het andere uiteinde van B aan.

B heeft nog 30 min en brandt nu in 15 min op. 30 + 15 = 45 minuten.

Tip voor de klasOnthoud: één touw aan twee uiteinden = halve brandtijd.
51
Getallen & combinaties

Kies 3 getallen → 52

Kies 3 getallen uit 1, 5, 6, 7, 9, 10 voor ○ + ○ × ○ = 52 (eerst keer).

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord7 + 9 × 5 = 52 of 10 + 6 × 7 = 52

Zoek een product dicht bij 52: 9 × 5 = 45, dan + 7.

Of 6 × 7 = 42, dan + 10.

Tip voor de klasKijk eerst naar producten dicht bij het doel en zoek daarna het restgetal.
52
Patronen & reeksen

Het verdriedubbel-raadsel

Je start met € 1 en elke dag wordt het ×3. Hoeveel heb je in totaal na 6 dagen?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord€ 364

1 + 3 + 9 + 27 + 81 + 243 = 364.

Tip voor de klasEen meetkundige rij met factor 3.
53
Dieren & weegschalen

De panda en de pinguïn

Samen 23 kg. De panda is 7 kg zwaarder dan de pinguïn. Hoe zwaar is de pinguïn?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord8 kg

x + (x + 7) = 23 → 2x = 16 → x = 8.

Pinguïn 8 kg, panda 15 kg.

Tip voor de klasNeem de lichtere (onbekende) als x en de zwaardere als x + verschil.
54
Getallen & combinaties

Maak 100 met 1 t/m 9

Gebruik de cijfers 1 t/m 9 in volgorde, met + of − of niets ertussen, zodat het 100 wordt.

Bekijk antwoord & uitleg
AntwoordBijv. 123 − 45 − 67 + 89 = 100 of 1 + 2 + 3 + 4 + 5 + 6 + 78 + 9 = 100

Plak cijfers samen (bijv. 78) en corrigeer met mintekens richting 100.

Tip voor de klasEen getallenpuzzel met concatenatie: cijfers blijven in volgorde, maar mogen samengeplakt worden.
55
Patronen & reeksen

€ 1.000.000 of 1 cent verdubbelen?

Keuze 1: € 1.000.000 direct. Keuze 2: € 0,01 die 30 dagen verdubbelt. Wat levert meer op?

Bekijk antwoord & uitleg
AntwoordDe cent die verdubbelt: € 10.737.418,23

Het totaal na 30 dagen = 0,01 × (2³⁰ − 1) = € 10.737.418,23.

Veel meer dan € 1.000.000.

Tip voor de klasEen klassiek voorbeeld van exponentiële groei: eerst langzaam, daarna razendsnel.
56
Dieren & weegschalen

Puma, buffel en hond

Puma + buffel = 450 · puma + hond = 100 · buffel + hond = 370. Hoeveel weegt elk dier?

Bekijk antwoord & uitleg
AntwoordPuma 90 kg, hond 10 kg, buffel 360 kg

Puma = 100 − hond en buffel = 370 − hond.

(100 − hond) + (370 − hond) = 450 → 2·hond = 20 → hond = 10.

Puma = 90, buffel = 360.

Tip voor de klasSchrijf de vergelijkingen onder elkaar en trek er eentje van de ander af.
57
Patronen & reeksen

Kies het juiste getal (3×3)

Een 3×3 rooster met een ontbrekend getal. Welk getal hoort op het vraagteken?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord8

Het getal moet zowel horizontaal als verticaal in het patroon passen.

Dat geeft 8.

Tip voor de klasBij dit soort raadsels passen vaak meerdere patronen; kies het getal dat in álle richtingen klopt.
58
Tellen & figuren

Driehoeken in de davidsster

Een davidsster (twee overlappende driehoeken). Hoeveel driehoeken tel je?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord20 driehoeken

12 kleine + 6 middelgrote + 2 grote = 20.

Tip voor de klasBegin bij de kleinste vormen en bouw op naar de grotere.
Logica & geld

Verhoog het gemiddelde

Vier getallen hebben een gemiddelde van 15. Welk vijfde getal maakt het nieuwe gemiddelde 18?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord30

Som van 4 getallen: 4 × 15 = 60.

Nodig voor 5 getallen: 5 × 18 = 90.

90 − 60 = 30.

Logica & geld

De luciferpuzzel

Verplaats één lucifer zodat de som klopt.

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord9 − 7 = 2

Haal de verticale lucifer uit het + zodat het een − wordt.

Leg die bij de 5 zodat het een 9 wordt: 9 − 7 = 2.

Getallen & combinaties

De donut-puzzel

3 × aardbei + chocola = 14 · aardbei + 2 × vanille = 9 · chocola + vanille = 8. Wat kost een aardbei-donut?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord3

Als vanille = 3, dan aardbei = 9 − 6 = 3.

3 × 3 = 9, dus chocola = 5. Klopt met chocola + vanille = 8.

Logica & geld

Het haakjesraadsel

Bereken 6 ÷ 2(1 + 2).

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord9

Haakjes eerst: 1 + 2 = 3 → 6 ÷ 2 × 3.

Van links naar rechts: 6 ÷ 2 = 3, dan 3 × 3 = 9.

Tip voor de klasVeel mensen doen eerst 2 × 3 = 6 en dan 6 ÷ 6 = 1. Maar delen en vermenigvuldigen gaan van links naar rechts.
Patronen & reeksen

Kies het juiste getal (×2)

4, 8 → 20 · 9, 3 → 15 · 6, 6 → ?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord18

Regel: eerste getal + (tweede getal × 2).

6 + (6 × 2) = 18.

Logica & geld

Wat had het snoep moeten kosten?

Chips € 4,95 + cola € 9,91 + snoep ? = totaal € 24,85. Wat kost het snoep?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord€ 9,99

Chips + cola = 14,86.

24,85 − 14,86 = 9,99.

Dieren & weegschalen

Hoe zwaar is de struisvogel?

Kameel + struisvogel = 550 kg. De kameel weegt 10 keer zoveel. Hoe zwaar is de struisvogel?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord50 kg

Struisvogel 1 deel, kameel 10 delen, samen 11 delen.

550 ÷ 11 = 50 → struisvogel 50 kg, kameel 500 kg.

Logica & geld

Hoeveel korting in totaal?

Een jas krijgt eerst 20% korting en daarna nog eens 10%. Hoeveel korting in totaal?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord28%

Stel € 100. Na 20%: € 80. Daarna 10% van 80 = € 8 → € 72.

100 − 72 = € 28, dus 28%.

Tip voor de klasTwee kortingen na elkaar zijn niet hetzelfde als 30%.
Patronen & reeksen

Kies het juiste antwoord (cijferwiel)

Op een cijferwiel: welk getal hoort in het midden?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord72

Overstaande vakken hebben steeds product 72: 24 × 3, 6 × 12, 18 × 4, 8 × 9.

Tip voor de klasBij cijferwielen is er vaak één vaste relatie per tegenoverliggend paar (som, verschil of product).
Patronen & reeksen

Welk getal hoort bovenaan?

Rekenpiramide met onderrij 6, 9, 7, 5. Elk blok is de som van de twee eronder. Wat is het topgetal?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord59

Rij 2: 15, 16, 12.

Rij 3: 31, 28. Top: 31 + 28 = 59.

Dieren & weegschalen

Hoe zwaar is de kip?

Paard + kip = 62 kg. Het paard weegt 30 keer zoveel. Hoe zwaar is de kip?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord2 kg

Kip 1 deel, paard 30 delen, samen 31 delen.

62 ÷ 31 = 2 → kip 2 kg, paard 60 kg.

Logica & geld

De kapotte plusknop

Je plusknop werkt niet. Hoe reken je 8 + 8 + 8 uit?

Bekijk antwoord & uitleg
Antwoord3 × 8 = 24

Optellen is herhaald vermenigvuldigen: 8 + 8 + 8 = 3 × 8 = 24.

Tip voor de klasGebruik dit om het verband tussen optellen en vermenigvuldigen uit te leggen.
Getallen & combinaties

Drie getallen maken 18

Kies drie getallen die samen 18 vormen.

Bekijk antwoord & uitleg
AntwoordBijv. 2 + 6 + 10 of 4 + 6 + 8

Begin klein: 2 + 6 = 8, dan + 10. Of 4 + 6 = 10, dan + 8.

Er zijn meerdere oplossingen.

Tip voor de klasLaat leerlingen alle combinaties systematisch zoeken.

Geen raadsels gevonden. Probeer een ander trefwoord of filter.

Alles in één boek

Meer rekenraadsels gebruiken in de klas of thuis?

In Het Grote Rekenraadselboek staan 157 rekenraadsels bij elkaar, inclusief antwoorden en didactische tips. Handig als starter, klaaropdracht, klassikale breinbreker of oefening thuis.

157
raadsels

Het Grote Rekenraadselboek

157 rekenraadsels met antwoord & uitleg

  • 157 rekenraadsels
  • Inclusief antwoorden
  • Inclusief didactische tips
  • Direct te downloaden als pdf
In winkelmand