Korte uitleg
Bij delen kan er iets overblijven. Dat overgebleven deel heet de rest.
Voorbeeldsommen
Voorbeeld 1 (basis)
13 ÷ 4
- Herhaald aftrekken: 13 − 4 − 4 − 4 = 1. Er gaan 3 keer 4 in 13 en er blijft 1 over. Antwoord: 3 rest 1.
- Verzamelen: Verdeel 13 snoepjes over 4 kinderen; elk krijgt 3 snoepjes en 1 snoepje blijft over.
Voorbeeld 2 (dagelijks gebruik)
29 ÷ 6
- Tafels: 6 × 4 = 24, er blijft 5 over → 4 rest 5.
- Staartdeling: 29 gedeeld door 6 geeft 4 met rest 5.
Voorbeeld 3 (moeilijker)
25 snoepjes verdelen over 4 kinderen
- Delen: 25 ÷ 4 = 6 met rest 1.
- Omzetten naar breuk/komma: 25 ÷ 4 = 6,25 → 6 hele snoepjes per kind en 0,25 snoepje over.
Tip of strategie
Schrijf de rest ook als breuk of kommagetal om nauwkeuriger te kunnen werken, vooral bij geld of gewicht.
Visual
Een afbeelding van 13 snoepjes verdeeld over vier bordjes; drie bordjes hebben 3 snoepjes, één bordje heeft 4, met de rest (1 snoepje) in het midden.
Call to action
Bekijk meer deeloefeningen in onze bundels op meesteriy.nl